Gehechtheidsstijlen

In het kader van haar licentiaatsthesis voor de afstudeerrichting klinische psychologie aan KUL ( juni 2006), deed Julie Maertens een onderzoek bij de populatie van de groepsdeelnemers  aan de bondingpsychotherapiegroepen  met als titel : “Invloed van Bondingpsychotherapie op gehechtheidsstijl bij volwassenen”,  o.l.v.  Prof. dr. M. Leijsen.

Algemeen besluit van studie en onderzoek:

Met ons onderzoek hebben we de werkzaamheid en effectiviteit van Bondingpsychotherapie onderzocht. De vraagstelling of Bondingpsychotherapie invloed heeft op de gehechtheidsstijlen bij volwassenen werd nagegaan door te onderzoeken of de onveilige gehechtheidsstijl verandert naar een meer veilige gehechtheid en of de bijhorende klachten ook afnemen.

Om deze vraagstelling te kunnen beantwoorden gaven we een woordje uitleg over wat Bondingpsychotherapie juist was en gekoppeld daaraan werden de gehechtheidsstijlen besproken. Het onderzoek zelf spreidde zich over een jaar, waarbij er drie meetmomenten ingelast waren om bij 46 cliënten (in het Centrum Voor Persoons –en Relatietraining te Damme) de Symptom Checklist (SCL-90) en de Relationship Scales Questionnaire (RSQ) af te nemen. Op basis van deze vragenlijsten kon nagegaan worden of de klachten significant afnamen en of de onveilige gehechtheidsstijl veranderde door het volgen van Bondingpsychotherapie.

Aan de verwachting, dat de klachten significant zouden afnemen en elk onveilig type gehechtheid zou veranderen na een jaar Bondingpsychotherapie, wordt voldaan. De implicatie van deze resultaten is dat de effectiviteit van Bondingpsychotherapie zo wetenschappelijk onderbouwd is. Maar met deze conclusie dienen we echter voorzichtig om te gaan, daar er een aantal beperkingen aanwezig zijn in ons onderzoek. Een follow-up onderzoek zou nodig zijn om na te gaan of de veranderingen blijvend aanwezig zijn. De waarde van ons onderzoek zou bovendien nog vergroten indien er meerdere deelnemers worden getest over een langere meetduur (bijvoorbeeld twee jaar). Een controlegroep was ook niet aanwezig in ons onderzoek. Een controlegroep kan interessant zijn om de invloed van storende factoren na te gaan. Bij een verdere uitwerking van ons onderzoek zou een mogelijke controlegroep een groep cliënten kunnen zijn, die een gehechtheidsprobleem hebben en individuele gesprekstherapie volgen in plaats van Bondingpsychotherapie. Belangrijk om voor ogen te houden is dat er in ons onderzoek zelfrapportage vragenlijsten gebruikt werden waarmee alleen een subjectieve beleving werd weergegeven van de klachten en niet wat waargenomen werd door de onderzoeker. Hierin bestaat ook het risico van het geven van sociaal wenselijke antwoorden door de ondervraagden. Tevens moet er met voorzichtigheid omgegaan worden met de SCL-90 als effectmaat door “hertest-effect”, waarbij een te positief beeld kan verkregen worden bij een tweede en derde meting. Dit geldt waarschijnlijk ook voor de RSQ. Tot slot kan het interessant zijn om na te gaan of bepaalde klachten samenhangen met een bepaalde onveilige gehechtheidsstijl. In die zin zou er kunnen aangetoond worden dat wanneer de gehechtheidsstijl verandert, de klachten die ermee samenhangen ook veranderen. Dit zou eveneens bijdragen aan de betrouwbaarheid van de RSQ. Dit kan getoetst worden door, aan de hand van de Spearman rangcorrelatie coëfficiënt na te gaan, welke subschalen van de SCL-90 en de RSQ met elkaar correleren.

De Relationship Scales Questionnaire (RSQ) is geen gevalideerde vragenlijst in Vlaanderen. Belangrijk is om zich af te vragen of deze lijst wel daadwerkelijk meet wat de onderzoeker wil meten, namelijk type gehechtheidsstijl. De RSQ meet het type gehechtheidsstijl en is gevalideerd in Duitsland en in Amerika. Om de gehechtheidsstijl in België te kunnen nagaan werd de RSQ goed vertaald door een professioneel team. Ondanks de professionele vertaling weten we niet zeker of de cliënten de items van RSQ juist begrijpen. Om dit na te gaan onderwierpen wij in het laatste hoofdstuk de RSQ aan een ervaringsdeskundige validatie. De ervaringsdeskundige validatie houdt in dat de cliënt en de therapeut de RSQ invullen op eenzelfde moment. De therapeut vult de RSQ in door zich in de plaats te stellen van de cliënt. Om deze validatie na te gaan wordt het resultaat van de zelfrapportering van de cliënt vergeleken met het resultaat van de ervaringsdeskundige (correlatie tussen de items).Volgens verwachting kwam de rapportering van de cliënt overeen met de rapportering van de therapeut en werden de items van de RSQ bijgevolg voldoende begrepen (met uitzondering van item 22 en item 28). Bovendien komen de eindscores van de cliënt en therapeut in 73% van de gevallen overeen, wat inhoudt dat bij 11 cliënten (n=15) een overeenkomstige gehechtheidsstijl werd vastgesteld door cliënt als door therapeut die zich in de plaats stelt van cliënt. Hierbij kan er met enige voorzichtigheid gesteld worden dat de vertaling door het professionele team voldoende valide is om deze vragenlijst te gebruiken. Deze conclusie moet echter met voorzichtigheid worden vermeld, want de onderzoeksgroep was te klein om de resultaten te veralgemenen. In de toekomst is het belangrijk om de RSQ te valideren volgens de geijkte procedure. Deze procedure bestaat erin om de test door twee onafhankelijke vertalers te laten vertalen en naderhand beide vertalingen samen te leggen. De bedoeling is om tot een consensusversie te komen en deze versie terug naar de brontaal te vertalen. Deze laatste versie wordt vergeleken met de oorspronkelijke versie en op basis daarvan worden er aanpassingen gedaan daar waar de betekenis- afwijking te groot is of blijft.

Dit onderzoek en studiewerk hebben mijn nieuwsgierigheid van de ‘schreeuwruimte’ voldoende bevredigd, maar de bescheiden conclusie dat cliënten hun klachten verminderen en zij zich veiliger verbonden voelen na een periode Bondingpsychotherapie is het meest hoopgevend.

Julie Maertens
licentiaatscriptie faculteit Psychologie KUL